Ondanks bezwaren van gemeenten, werknemers en een deel van de werkgevers, houden het kabinet en de regeringspartijen vast aan een verschuiving van loonkostensubidie naar loondispensatie. Moties van de oppositie om het kabinet alsnog op andere gedachten te brengen of althans af te remmen haalden dinsdag geen meerderheid. Het kabinet komt na de zomer met een voorstel en de wet moet in juli 2019 van kracht worden. De vakbeweging reageerde teleurgesteld. Cedris roept staatssecretaris Van Ark op het huidige instrument loonkostensubsidie te behouden én te verbeteren. Niet alleen de werknemers, maar ook voor werkgevers blijkt de nieuwe regeling echter nadelig. Werken loont maar dan wel met een rafelrandje. Uiteindelijk liegen cijfers nooit.
Loonkostensubsidie
Momenteel is het zo dat werkgevers loonkostensubsidie ontvangen als zij iemand in dienst nemen die minder kan verdienen dan het wettelijk minimumloon; het verschil tussen de loonwaarde van de werknemer en het minimumloon wordt dan vergoed. Werkgevers kunnen daardoor gehandicapte werknemers nu een volwaardig minimumloon of cao-loon betalen, omdat ze van de gemeente een subsidie krijgen ter compensatie van hun lagere productiviteit. Stel je hebt een vastgestelde loonwaarde van 50%. Je gaat aan de slag bij een werkgever tegen het minimumloon. De werkgever krijgt dan compensatie voor de overige 50% door middel van loonkostensubsidie.
Loondispensatie
Staatssecretaris Van Ark van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil de loonkostensubsidie omzetten in loondispensatie. In het regeerakkoord is namelijk afgesproken om voor nieuwe arbeidscontracten over te stappen op loondispensatie. De werkgever betaalt de werknemer naar zijn (lagere) loonwaarde en de gemeente legt het verschil met het minimumloon bij voor de gewerkte uren. Dat betekent dat de werkgever aan iemand met een arbeidsbeperking minder dan het minimumloon mag betalen. In het voorbeeld bij 50% loonwaarde de helft van het minimumloon.
Werknemer
De werknemer ontvangt niet langer één loonstrookje waarbij over het gehele bedrag ook nog een pensioen- en werkloosheidspremies werd ingehouden. Pensioen vervalt grotendeels of helemaal afhankelijke van de franchise. WW gaat alleen nog maar over loonwaarde. De werknemer moet vervolgens zelf regelen dat het loon wordt aangevuld door de sociale dienst tot maximaal minimumloon. In de nieuwe opzet heeft de werknemer dan te maken met twee inkomstenbronnen. Mensen die wegens werkende partner of eigen vermogen geen recht hebben op een uitkering, krijgen helemaal geen aanvulling meer, terwijl ze nu minstens op het minimumloon zitten.
Tussen wal en schip
Twee groepen dreigen echter nu tussen wal en schip te belanden, de zogenaamde Nuggers en jongeren vanuit het Voorgezet Speciaal Onderwijs en het Praktijkonderwijs. Zij zouden alleen nog maar naar hun loonwaarde worden betaald en geen recht meer hebben op een aanvullende uitkering, omdat ze via spaargeld, werkende partners of ouders in hun onderhoud kunnen voorzien. Tot 27 jaar hebben jongeren niet in alle gevallen recht op bijstand en kennen de jongeren vaak de weg naar de gemeenten niet. Voor zover ze dat al niet waren, verdwijnen deze jongeren onder de radar.
Werkgevers
Werkgeversorganisatie VNO-NCW vindt het huidige systeem van loonkostensubsidie te omslachtig en te bureaucratisch. De afspraak om in 2026 125.000 extra werkplekken tot stand te brengen voor deze groep werknemers dreigt, zo is de stelling, daardoor buiten bereik te blijven. Voorlopig blijkt het tegendeel, want de werkgevers zitten prima op schema. Uit onderzoek van Cedris klinkt nog een ander geluid. Hieruit blijkt dat ruim zeventig procent van de werkgevers die werken met loonkostensubsidie geen behoefte heeft aan het nieuwe instrument loondispensatie. Tachtig procent van hen is positief tot zeer positief over het huidige instrument loonkostensubsidie. Wie het weet mag het zeggen.
Nadelen werkgevers
Eén ding is wel duidelijk. Een nadere berekening van de Loondispensatie leert dat deze financieel nadelig is voor werkgevers. Met de loonkostensubsidie vervalt tegelijkertijd ook de zogenaamde bruto werkgeverscompensatie van 23,5% over de loonkostensubsidie. Dat scheelt bij 50% loonkostensubsidie een krappe € 3.000, - per jaar. De lage inkomensvoordeel vervalt eveneens, maar daarvoor in de plaats kan Loonkostenvoordeel worden ingezet. Dat maakt netto dus niet uit. In de Kamerbrief van Sociale Zaken afgelopen dinsdag over de voorgenomen maatregel wordt met geen woord gerept over de werkgeverscompensatie. Sterker nog, het hele discours over inkomen en kosten is opgebouwd uit netto bedragen. Tja, cijfers kunnen niet liegen maar leugenaars kunnen blijkbaar wel cijferen. Als ik VNO-NCW was zou ik toch maar eens gaan praten met hun leden. Wie weet heeft Cedris dan toch gelijk.
vrijdag 30 maart 2018
vrijdag 9 februari 2018
Zwakste schouders zwaarste lasten
Kabinet houdt vast aan loondispensatie
Staatssecretaris Tamara van Ark van Sociale Zaken heeft donderdag laten weten dat het kabinet vast houdt aan het voornemen om de loonkostensubsidie voor arbeidsgehandicapten te vervangen door een zogeheten loondispensatie. Dit naar aanleiding in een Kameroverleg over de voortgang van de Participatiewet. Onderdeel van die wet is de afspraak dat er 100.000 banen in de marktsector en nog eens 25.000 bij de overheid worden gecreëerd voor mensen die arbeidsbeperkt zijn door ziekte of handicap. Mede gefinancierd door middel van loonkostensubsidie.
Omstreden maatregel
De loondispensatie houdt in dat werknemers met een arbeidsbeperking voortaan betaald worden conform hun productiviteit. Het kleine deel salaris dat zij krijgen wordt aangevuld met een uitkering van de gemeente. Nu verdienen deze mensen nog het minimumloon. De werkgever betaalt het volledige loon en krijgt vervolgens een loonkostensubsidie op basis werkelijke loonwaarde. De werkgever wordt dus door de gemeente gecompenseerd voor het verschil tussen het salaris en de werkelijke loonwaarde van de werknemer. Afschaffing van de loonkostensubsidie betekent een verslechtering voor de arbeidsgehandicapte, omdat het in de praktijk zou betekenen dat zij onder het minimumloon kunnen uitkomen. Op jaarbasis scheelt dit zo’n € 5.000 netto.
Redenering Kabinet
Volgens Van Ark zal de loondispensatie werkgevers prikkelen om eerder arbeidsgehandicapten in dienst te nemen omdat er dan sprake is van één regeling. Met de gedachte dat mensen allemaal met hetzelfde instrument worden geholpen, zodat het voor werkgevers niet uitmaakt wie ze aan het werk hebben. De vraag is of een werkgever op zoek is naar één regeling of dat de werkgever op zoek is naar een passende werknemer voor het vacante werk.
Doelstelling niet gehaald
Opvallend is dat werkgevers redelijk op schema liggen als het gaat om het bieden van werkplekken voor gehandicapten door middel van de zogenaamde garantiebanen. Degene die verzaakt is juist de overheid. Die heeft inmiddels al een quotumwet aan de broek omdat de beoogde doelstellingen achterblijven. Met verplicht beschut werk is het nog dramatischer. Het beschut werk komt ondanks de wettelijke verplichting voor gemeenten nog steeds niet of nauwelijks van de grond. Er zijn in 3 jaar tijd 735 beschutte banen gerealiseerd van de op termijn beoogde 30.000, waaraan het kabinet ook nog eens 20.000 extra banen wil toevoegen. Wat is nu het probleem en van wie?
Kwetsbare doelgroep
Degene die in de problemen komen is wel duidelijk. Dat zijn de mensen met een arbeidsbeperking. In de nieuwe situatie worden zij geconfronteerd met meerdere inkomstenbronnen. Bovendien bouwt de werknemer bij loondispensatie geen pensioen meer op, en kan hij geen aanspraak maken op een werkloosheid- of arbeidsongeschiktheidsuitkering. Maar bovenal, het inkomen gaat van minimumloon naar bijstandsniveau.Werken loont dus op deze manier niet.
Garantiebanen en Beschut werk
De aanvankelijk redenering onder de Participatiewet was dat de instroom van gehandicapten in de Sociale Werkvoorziening per 1 januari 2015 wordt stopgezet. Daarvoor in de plaats komt een regeling voor zeer kwetsbare doelgroepen. De zogenaamde Beschut werkplekken. In totaal moeten dit er 30.000 worden. Daarnaast komen er zogenaamde Garantiebanen, waarvan 100.000 bij bedrijfsleven en 25.000 bij de overheid. Mede gefinancierd met loonkostensubsidie. Dat laatste wordt nu afgeschaft. Conclusie. De overheid verzaakt haar opdracht en legt de rekening daarvoor neer bij de zwakste partij. De kwetsbare doelgroepen op de arbeidsmarkt, waarvoor het al lastig is om werk te bemachtigen en financieel rond te komen.
Staatssecretaris Tamara van Ark van Sociale Zaken heeft donderdag laten weten dat het kabinet vast houdt aan het voornemen om de loonkostensubsidie voor arbeidsgehandicapten te vervangen door een zogeheten loondispensatie. Dit naar aanleiding in een Kameroverleg over de voortgang van de Participatiewet. Onderdeel van die wet is de afspraak dat er 100.000 banen in de marktsector en nog eens 25.000 bij de overheid worden gecreëerd voor mensen die arbeidsbeperkt zijn door ziekte of handicap. Mede gefinancierd door middel van loonkostensubsidie.
Omstreden maatregel
De loondispensatie houdt in dat werknemers met een arbeidsbeperking voortaan betaald worden conform hun productiviteit. Het kleine deel salaris dat zij krijgen wordt aangevuld met een uitkering van de gemeente. Nu verdienen deze mensen nog het minimumloon. De werkgever betaalt het volledige loon en krijgt vervolgens een loonkostensubsidie op basis werkelijke loonwaarde. De werkgever wordt dus door de gemeente gecompenseerd voor het verschil tussen het salaris en de werkelijke loonwaarde van de werknemer. Afschaffing van de loonkostensubsidie betekent een verslechtering voor de arbeidsgehandicapte, omdat het in de praktijk zou betekenen dat zij onder het minimumloon kunnen uitkomen. Op jaarbasis scheelt dit zo’n € 5.000 netto.
Redenering Kabinet
Volgens Van Ark zal de loondispensatie werkgevers prikkelen om eerder arbeidsgehandicapten in dienst te nemen omdat er dan sprake is van één regeling. Met de gedachte dat mensen allemaal met hetzelfde instrument worden geholpen, zodat het voor werkgevers niet uitmaakt wie ze aan het werk hebben. De vraag is of een werkgever op zoek is naar één regeling of dat de werkgever op zoek is naar een passende werknemer voor het vacante werk.
Doelstelling niet gehaald
Opvallend is dat werkgevers redelijk op schema liggen als het gaat om het bieden van werkplekken voor gehandicapten door middel van de zogenaamde garantiebanen. Degene die verzaakt is juist de overheid. Die heeft inmiddels al een quotumwet aan de broek omdat de beoogde doelstellingen achterblijven. Met verplicht beschut werk is het nog dramatischer. Het beschut werk komt ondanks de wettelijke verplichting voor gemeenten nog steeds niet of nauwelijks van de grond. Er zijn in 3 jaar tijd 735 beschutte banen gerealiseerd van de op termijn beoogde 30.000, waaraan het kabinet ook nog eens 20.000 extra banen wil toevoegen. Wat is nu het probleem en van wie?
Kwetsbare doelgroep
Degene die in de problemen komen is wel duidelijk. Dat zijn de mensen met een arbeidsbeperking. In de nieuwe situatie worden zij geconfronteerd met meerdere inkomstenbronnen. Bovendien bouwt de werknemer bij loondispensatie geen pensioen meer op, en kan hij geen aanspraak maken op een werkloosheid- of arbeidsongeschiktheidsuitkering. Maar bovenal, het inkomen gaat van minimumloon naar bijstandsniveau.Werken loont dus op deze manier niet.
Garantiebanen en Beschut werk
De aanvankelijk redenering onder de Participatiewet was dat de instroom van gehandicapten in de Sociale Werkvoorziening per 1 januari 2015 wordt stopgezet. Daarvoor in de plaats komt een regeling voor zeer kwetsbare doelgroepen. De zogenaamde Beschut werkplekken. In totaal moeten dit er 30.000 worden. Daarnaast komen er zogenaamde Garantiebanen, waarvan 100.000 bij bedrijfsleven en 25.000 bij de overheid. Mede gefinancierd met loonkostensubsidie. Dat laatste wordt nu afgeschaft. Conclusie. De overheid verzaakt haar opdracht en legt de rekening daarvoor neer bij de zwakste partij. De kwetsbare doelgroepen op de arbeidsmarkt, waarvoor het al lastig is om werk te bemachtigen en financieel rond te komen.
vrijdag 20 oktober 2017
Kabinet legt bom onder beschut werk en garantiebanen
Loondispensatie
Het was maar een kleine passage in het Regeerakkoord. Uitbreiding van het aantal beschut werk plekken met 20.000. De financiering daarvan vindt plaats door het instrument van loonkostensubsidies in de Participatiewet te vervangen door de mogelijkheid tot loondispensatie. Werkgevers kunnen daarmee onder het wettelijk minimumloon betalen, al naar gelang de verdiencapaciteit van de persoon in kwestie. De gemeente vult, afhankelijk van de gemeentelijke inkomensvoorziening waar de betrokkene gebruik van maakt, het inkomen aan. Het herintroduceren van de loondispensatie heeft enorme gevolgen voor de realisatie van het aantal Beschut Werk plekken (50.000) en het aantal Garantiebanen (125.000). En niet in de laatste plaats voor het inkomen van werkzoekenden die van deze regelingen gebruik maken.
Beschut Werk en Garantiebanen
Nog even terug naar de Participatiewet. De gedachte was om de instroom van de Sociale Werkvoorziening stop te zetten en via natuurlijk verloop af te bouwen. Waar laat je dan de nieuwe doelgroep met een beperkte loonwaarde? Als oplossing kwamen de zogenaamde 125.000 Garantiebanen voor werkzoekenden met een loonwaarde vanaf 50%. Op termijn 100.000 via het bedrijfsleven en 25.000 via de overheid. Voor werkzoekenden met een loonwaarde tussen de 30% en 50% voorzag de Participatiewet in zogenaamde Beschut Werk plekken. In eerste instantie zouden dit er 30.000 zijn. Het toekomstige Kabinet heeft dit nu opgehoogd tot 50.000. Via loonkostensubsidie vulde de overheid de loonwaarde aan tot het minimumloon. Iedereen blij, werkgever, werknemer en gemeente.
Loonkostensubsidie
Het verschil tussen loonwaarde en (minimum) loon krijgt de werkgever zoals aangegeven vergoedt van de gemeente via de loonkostensubsidie. Loonkostensubsidie compenseert daarmee de werkgever bij verminderde productiviteit van een werknemer. Stel de werknemer heeft een loonwaarde van 50% dan krijgt de werkgever een loonkostensubsidie van 50%. De werknemer verdient dan het minimumloon via de werkgever. Niks mis mee, het was even zoeken in de markt maar het begint te werken. Tot verleden week dinsdag dus toen het Regeerakkoord het licht zag. De loonkostensubsidie wordt afgeschaft en daarvoor in de plaats komt de loondispensatie.
Hoe ziet de loondispensatie eruit
Loondispensatie houdt in dat de werkgever mag afwijken van de Wet minimumloon en een loon mag betalen dat onder het wettelijk minimumloon ligt als de werknemer door een beperking niet in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen. De werkgever betaalt alleen de loonwaarde en hoeft daar geen premie over af te dragen. Met een loonwaarde van 50% betaalt de werkgever dan 50% van het minimumloon. De gemeente vult dit bedrag aan tot uitkeringsniveau. De werknemer op een Beschutte Werk plek of een Garantiebaan verdient daardoor niet langer, zoals nu het geval is, het minimumloon maar krijgt een inkomen op bijstandsniveau. Dus aan de slag voor 36 of 38 uur per week op het niveau van de bijstand in plaats van het minimumloon.
Herkomst loondispensatie
De loondispensatie is voor het eerst toegepast als een pilot in 2010. Een maatregel van het toenmalige Kabinet Balkenende IV. Met coalitiepartners PvdA, CDA en CU. Kern van de pilot was dat gemeenten het loon zouden aanvullen tot het bijstandsniveau. Het is niet ondenkbeeldig dat de CDA en CU deze regeling weer op de agenda hebben gezet. In het Kabinet Rutte I komt de loondispensatie terug als onderdeel in de Wet Werken Naar Vermogen (WWNV). Met dit verschil dat er nu wel aanvulling plaats vindt naar 100% van het Wettelijk Minimum Loon (WML). In de Participatiewet van 2015 van Rutte II verdwijnt de loondispensatie weer. Daarvoor in de plaats komen het ontwerpbesluit loonwaarde en het ontwerpbesluit Loonkostensubsidies. Maar wel met hetzelfde resultaat. In Beschut Werk of op een Garantiebaan verdient een werkzoekende nog altijd minimaal het minimumloon. Bij Rutte III komt de loondispensatie weer op de agenda, maar dan slechts als aanvulling tot het bijstandsniveau. Weer terug bij af dus.
Betekenis werkzoekenden
Voor werkzoekenden met een niet volledig arbeidsvermogen zijn de gevolgen enorm. En dan gaat het nog geen eens over de administratieve rompslomp van de combinatie loon en uitkering. Van een voormalige werkplek in de sociale werkvoorziening met een salaris van maximaal zo’n 130% WML terug naar bijstand op 70% van het WML. Mensen uit de zelfde doelgroep die nu beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt gaan er dus 60% op achteruit. De toeleiding van werkzoekenden met beperkte loonwaarde naar Beschut Werk en Garantiebanen was al lastig. Met een loonsverlaging van 30% ten opzichte van de huidige regeling lijkt dit schier onmogelijk. Wie gingen er met het grootste vertrouwen ook allemaal weer op vooruit in de toekomst?
Het was maar een kleine passage in het Regeerakkoord. Uitbreiding van het aantal beschut werk plekken met 20.000. De financiering daarvan vindt plaats door het instrument van loonkostensubsidies in de Participatiewet te vervangen door de mogelijkheid tot loondispensatie. Werkgevers kunnen daarmee onder het wettelijk minimumloon betalen, al naar gelang de verdiencapaciteit van de persoon in kwestie. De gemeente vult, afhankelijk van de gemeentelijke inkomensvoorziening waar de betrokkene gebruik van maakt, het inkomen aan. Het herintroduceren van de loondispensatie heeft enorme gevolgen voor de realisatie van het aantal Beschut Werk plekken (50.000) en het aantal Garantiebanen (125.000). En niet in de laatste plaats voor het inkomen van werkzoekenden die van deze regelingen gebruik maken.
Beschut Werk en Garantiebanen
Nog even terug naar de Participatiewet. De gedachte was om de instroom van de Sociale Werkvoorziening stop te zetten en via natuurlijk verloop af te bouwen. Waar laat je dan de nieuwe doelgroep met een beperkte loonwaarde? Als oplossing kwamen de zogenaamde 125.000 Garantiebanen voor werkzoekenden met een loonwaarde vanaf 50%. Op termijn 100.000 via het bedrijfsleven en 25.000 via de overheid. Voor werkzoekenden met een loonwaarde tussen de 30% en 50% voorzag de Participatiewet in zogenaamde Beschut Werk plekken. In eerste instantie zouden dit er 30.000 zijn. Het toekomstige Kabinet heeft dit nu opgehoogd tot 50.000. Via loonkostensubsidie vulde de overheid de loonwaarde aan tot het minimumloon. Iedereen blij, werkgever, werknemer en gemeente.
Loonkostensubsidie
Het verschil tussen loonwaarde en (minimum) loon krijgt de werkgever zoals aangegeven vergoedt van de gemeente via de loonkostensubsidie. Loonkostensubsidie compenseert daarmee de werkgever bij verminderde productiviteit van een werknemer. Stel de werknemer heeft een loonwaarde van 50% dan krijgt de werkgever een loonkostensubsidie van 50%. De werknemer verdient dan het minimumloon via de werkgever. Niks mis mee, het was even zoeken in de markt maar het begint te werken. Tot verleden week dinsdag dus toen het Regeerakkoord het licht zag. De loonkostensubsidie wordt afgeschaft en daarvoor in de plaats komt de loondispensatie.
Hoe ziet de loondispensatie eruit
Loondispensatie houdt in dat de werkgever mag afwijken van de Wet minimumloon en een loon mag betalen dat onder het wettelijk minimumloon ligt als de werknemer door een beperking niet in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen. De werkgever betaalt alleen de loonwaarde en hoeft daar geen premie over af te dragen. Met een loonwaarde van 50% betaalt de werkgever dan 50% van het minimumloon. De gemeente vult dit bedrag aan tot uitkeringsniveau. De werknemer op een Beschutte Werk plek of een Garantiebaan verdient daardoor niet langer, zoals nu het geval is, het minimumloon maar krijgt een inkomen op bijstandsniveau. Dus aan de slag voor 36 of 38 uur per week op het niveau van de bijstand in plaats van het minimumloon.
Herkomst loondispensatie
De loondispensatie is voor het eerst toegepast als een pilot in 2010. Een maatregel van het toenmalige Kabinet Balkenende IV. Met coalitiepartners PvdA, CDA en CU. Kern van de pilot was dat gemeenten het loon zouden aanvullen tot het bijstandsniveau. Het is niet ondenkbeeldig dat de CDA en CU deze regeling weer op de agenda hebben gezet. In het Kabinet Rutte I komt de loondispensatie terug als onderdeel in de Wet Werken Naar Vermogen (WWNV). Met dit verschil dat er nu wel aanvulling plaats vindt naar 100% van het Wettelijk Minimum Loon (WML). In de Participatiewet van 2015 van Rutte II verdwijnt de loondispensatie weer. Daarvoor in de plaats komen het ontwerpbesluit loonwaarde en het ontwerpbesluit Loonkostensubsidies. Maar wel met hetzelfde resultaat. In Beschut Werk of op een Garantiebaan verdient een werkzoekende nog altijd minimaal het minimumloon. Bij Rutte III komt de loondispensatie weer op de agenda, maar dan slechts als aanvulling tot het bijstandsniveau. Weer terug bij af dus.
Betekenis werkzoekenden
Voor werkzoekenden met een niet volledig arbeidsvermogen zijn de gevolgen enorm. En dan gaat het nog geen eens over de administratieve rompslomp van de combinatie loon en uitkering. Van een voormalige werkplek in de sociale werkvoorziening met een salaris van maximaal zo’n 130% WML terug naar bijstand op 70% van het WML. Mensen uit de zelfde doelgroep die nu beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt gaan er dus 60% op achteruit. De toeleiding van werkzoekenden met beperkte loonwaarde naar Beschut Werk en Garantiebanen was al lastig. Met een loonsverlaging van 30% ten opzichte van de huidige regeling lijkt dit schier onmogelijk. Wie gingen er met het grootste vertrouwen ook allemaal weer op vooruit in de toekomst?
maandag 15 september 2014
Kunst van het veranderen
Het is woensdag 11 juni in de avond en ik sta in een kring met voor mij totaal onbekende mensen. Plaats van handeling Pakhuis de Zwijger. Het thema: Kunst voor en door de buurt. In het midden van de kring Sebo Bakker van het ZID theater. Hij neemt ons mee, met als centrale vraag: wat kunnen we leren van aansprekende community art projecten. We worden onmiddellijk aan het werk gezet.
Onwillekeurig moet ik denken aan Simone de Beauvoir. Zij schetste ooit het dilemma van de kunst: “brengen we de cultuur naar het volk of verheffen wij het volk tot de cultuur”. Sebo Bakker en Karolina Spaic, beiden grondleggers van ZID Community Art, weten wel om te gaan met dit dilemma. Hoe? Door het links te laten liggen en met het ‘volk’ een ‘eigen’ cultuur te scheppen. Sebo weet in een korte tijd een heterogene en diverse groep die avond tot een community te smeden. De manier waarop? Dat komt zo aan de orde. Nu eerst terug in de tijd.
Het is dit jaar precies 51 jaar geleden dat Maarten Luther King zijn beroemde rede hield bij het Lincoln Memorial in Washington. Met zijn retorisch vermogen ‘ I have a dream’ liet hij zien waarin hij geloofde. Zijn kracht was mensen mee te nemen in zijn droom. They believe what I believe. King nam zijn toehoorders mee in het waarom. Het hoe en wat kwam voor hem op de tweede plaats. Daar moesten mensen zelf maar invulling aan geven. Nog altijd raakt zijn rede mij in de ziel.
De diepere kern van community art is mensen mee te nemen in het delen van gemeenschappelijke ideeën en waarden. Tegelijkertijd is er de ruimte over het hoe en wat van de kunstzinnige vormgeving. Iedereen weet wel wat te doen in het leven, velen weten ook nog wel hoe je het moet doen. Maar over het waarom zijn we het spoor bijster. Dat is de draad die community art oppakt.
Als samenleving zijn we wat kwijt geraakt sinds de speech van King in de jaren zestig. Van solidair werden we tolerant. Daarna passeerde we de grens van onverschilligheid. Onverschillig naar elkaar, naar de samenleving naar de natuur. Sommigen gaan nog een stap verder en zijn ronduit onverdraagzaam. Er zijn mooie namen aan gegeven: verschraling, individualisme, radicalisme. You name it. In zijn kern wordt de verbinding met anderen niet meer gezocht. Een goed gevoel van cultuurautisme. Ieder gaat op zoek naar het eigen gelijk. Community art probeert die muur te slechten. De naam ZID is ook niet toevallig gekozen. Het betekent ‘de muur’ in het Nederlands.
Community art weet heterogeen samengestelde groepen tot een gemeenschap te construeren. Niet door gelijk te vertellen en te leren over hoe en wat er moet gebeuren. Community art start met delen. In de Antropologie noemen wij dit articulatie van productiewijzen. Op zoek gaan naar het gemeenschappelijke. Dingen die je met elkaar deelt. Dat is het fundament waarop community art wordt gebouwd. Een spel van herkenning en erkenning. En de uiteindelijke vorm? Die verschilt elke keer en is vooral persoons-, situationeel en sociaal- geografisch gebonden. Het is het (her)scheppen van een eigen cultuur. Een cultuur van het delen, verschilligheid en verdraagzaamheid.
De natuurlijke habitat van community art zijn de sociale pleinen. Plekken bieden of zoeken waar mensen samen komen, samen zijn. Dat kan in een buurt, een wijk maar ook in een organisatie zijn. Binnen onze ‘Pakhuisgroep’ liet Sebo de groep elementaire waarden delen: elkaar fysiek ruimte geven, contact maken, elkaar aanraken een gekozen moment delen. Een korte workshop. Maar de boodschap was duidelijk. Eerst een fundament voordat je bouwt. Het impliciete weer expliciet maken. Dat is de cultuur van veranderen en het (her) scheppen van een nieuwe cultuur.
Terug in de auto richting Amersfoort heb ik muziek van Nick Cave op staan. De song ‘ People ain’t no good’ komt langs. Gelukkig weet ik beter. Voor Community art in de buurt en de wijk is er echter nog wel werk aan de winkel.
Onwillekeurig moet ik denken aan Simone de Beauvoir. Zij schetste ooit het dilemma van de kunst: “brengen we de cultuur naar het volk of verheffen wij het volk tot de cultuur”. Sebo Bakker en Karolina Spaic, beiden grondleggers van ZID Community Art, weten wel om te gaan met dit dilemma. Hoe? Door het links te laten liggen en met het ‘volk’ een ‘eigen’ cultuur te scheppen. Sebo weet in een korte tijd een heterogene en diverse groep die avond tot een community te smeden. De manier waarop? Dat komt zo aan de orde. Nu eerst terug in de tijd.
Het is dit jaar precies 51 jaar geleden dat Maarten Luther King zijn beroemde rede hield bij het Lincoln Memorial in Washington. Met zijn retorisch vermogen ‘ I have a dream’ liet hij zien waarin hij geloofde. Zijn kracht was mensen mee te nemen in zijn droom. They believe what I believe. King nam zijn toehoorders mee in het waarom. Het hoe en wat kwam voor hem op de tweede plaats. Daar moesten mensen zelf maar invulling aan geven. Nog altijd raakt zijn rede mij in de ziel.
De diepere kern van community art is mensen mee te nemen in het delen van gemeenschappelijke ideeën en waarden. Tegelijkertijd is er de ruimte over het hoe en wat van de kunstzinnige vormgeving. Iedereen weet wel wat te doen in het leven, velen weten ook nog wel hoe je het moet doen. Maar over het waarom zijn we het spoor bijster. Dat is de draad die community art oppakt.
Als samenleving zijn we wat kwijt geraakt sinds de speech van King in de jaren zestig. Van solidair werden we tolerant. Daarna passeerde we de grens van onverschilligheid. Onverschillig naar elkaar, naar de samenleving naar de natuur. Sommigen gaan nog een stap verder en zijn ronduit onverdraagzaam. Er zijn mooie namen aan gegeven: verschraling, individualisme, radicalisme. You name it. In zijn kern wordt de verbinding met anderen niet meer gezocht. Een goed gevoel van cultuurautisme. Ieder gaat op zoek naar het eigen gelijk. Community art probeert die muur te slechten. De naam ZID is ook niet toevallig gekozen. Het betekent ‘de muur’ in het Nederlands.
Community art weet heterogeen samengestelde groepen tot een gemeenschap te construeren. Niet door gelijk te vertellen en te leren over hoe en wat er moet gebeuren. Community art start met delen. In de Antropologie noemen wij dit articulatie van productiewijzen. Op zoek gaan naar het gemeenschappelijke. Dingen die je met elkaar deelt. Dat is het fundament waarop community art wordt gebouwd. Een spel van herkenning en erkenning. En de uiteindelijke vorm? Die verschilt elke keer en is vooral persoons-, situationeel en sociaal- geografisch gebonden. Het is het (her)scheppen van een eigen cultuur. Een cultuur van het delen, verschilligheid en verdraagzaamheid.
De natuurlijke habitat van community art zijn de sociale pleinen. Plekken bieden of zoeken waar mensen samen komen, samen zijn. Dat kan in een buurt, een wijk maar ook in een organisatie zijn. Binnen onze ‘Pakhuisgroep’ liet Sebo de groep elementaire waarden delen: elkaar fysiek ruimte geven, contact maken, elkaar aanraken een gekozen moment delen. Een korte workshop. Maar de boodschap was duidelijk. Eerst een fundament voordat je bouwt. Het impliciete weer expliciet maken. Dat is de cultuur van veranderen en het (her) scheppen van een nieuwe cultuur.
Terug in de auto richting Amersfoort heb ik muziek van Nick Cave op staan. De song ‘ People ain’t no good’ komt langs. Gelukkig weet ik beter. Voor Community art in de buurt en de wijk is er echter nog wel werk aan de winkel.
vrijdag 24 januari 2014
Sociale Wijkteams: klantgericht of klantgezwicht?
Van de week las ik een artikel in Binnenlands Bestuur over het functioneren van de Sociale Wijkteams. Onderzoeksbureau Movisie was in de gemeentelijke beleidstukken en evaluatierapporten gedoken. De indruk van Movisie is dat Sociale Wijkteams een hype zijn.Het veronderstelde menselijke gezicht van het Sociale Domein in wijk.Tja kom daar maar eens om.
Lokale inkleuring
Na wat spitwerk vonden de onderzoekers als snel de rode draad. De bestudeerde nota’s en notities bleken namelijk ‘heel algemeen en vaag geformuleerd’ te zijn.Kwestie van knip en plakwerk blijkbaar want de onderzoekers zagen vaak ‘dezelfde teksten terugkomen'. De lokale inkleuring zou daarmee ontbreken. Maar dan zijn we er nog niet. Gemeenten blijken nauwelijks argumenten voorhanden te hebben waarom ze een sociaal wijkteam in het leven willen roepen. De sociale wijkteams worden blijkbaar gezien als dé organisatorische oplossing van de nieuwe wet- en regelgeving op gebied van jeugd, zorg en werk. De relatie met welke problemen er in de wijken spelen en hoe dit op te lossen met sociale wijkteams ontbreekt geheel volgens de onderzoekers. Afijn zo gaat dit nog een tijdje door. Met een ‘betere afstemming tussen de organisaties’, minder ‘professionele drukte’ en ja daar- komt- ie ‘het stimuleren van de burgerkracht’. Mandatering en aansturing ontbreken concluderen de onderzoekers droogjes. Klantgericht of klantgezwicht en wie is eigenlijk de klant?
Business as usual
Vooropgesteld, de verzorgingsstaat opnieuw uitvinden op regionaal en lokaal niveau is geen sinecure. Business as usual met hetzelfde ambtelijke kunstje op wijkniveau, daar kom je echter niet mee weg. Wat doen we nog wel en wat doen we niet meer in de wijk? En wie betaalt daarvoor de prijs? Dat is in feite de vraag met betrekking tot de positionering van de verzorgingsstaat. Als het op papier nu al niet duidelijk te krijgen is. Hoe moet het dan in de praktijk? Met de gedecentraliseerde aanpak in het sociale domein is niets mis. Maar dan zal er wel uit een ander bestuurlijk en beleidsmatig vaatje moeten worden getapt.
Mantra
Neem het mantra ‘de wijk en de (participerende) burger staat centraal‘. In deze aanname alleen al zitten twee grote risico’s. Ten eerste leidt dichterbij de burger tot een toename van de vraag. Er worden eerder problemen gesignaleerd die eerder kennelijk onopgemerkt en onbehandeld bleven. Ten tweede wekt de slogan ‘de burger centraal’ bij de burger de suggestie dat alle vragen op zijn minst in behandeling worden genomen. En niet alle vragen van de burger, hoe legitiem ook, kunnen worden opgepakt. Kwestie van kiezen en lef.
Van buiten naar binnen
Hoe dan wel? In hun beleidsnota’s en plannen van aanpak moeten lokale overheid en maatschappelijke dienstverleners zich rekenschap geven waar ze van zijn. Wat is het vraagstuk dat centraal staat? Welk programma en wat voor activiteiten horen daarbij? Leent deze aanpak zich voor zelfsturende burgers? En zo ja in welke mate? Om tot een adequate wijkaanpak te komen dient niet de burger maar het vraagstuk van de burger centraal te staan.Het gaat ook niet om de eigen kracht van de burger, maar om het versterken van het oplossend vermogen. En ook niet om het versterken van het sociale netwerk door de sociale wijkteams maar om het faciliteren van het organiserend vermogen binnen het netwerk. Dat moet per wijk en buurt bepaald worden en dat kan geen ambtelijke blauwdruk zijn. Niet de O van organisatie of de P van personeel moet centraal staan, maar de M van marktvraagstuk de D van dienstverleningsconcept. Maak daar keuzes en dan volgt de O van organisatie vanzelf. Werkend van buiten naar binnen in de volgorde van richten van doelen, inrichten van de organisatie en verrichten van de taken en het verdelen daarvan. Nooit te oud om te leren dus. “Kom schrijvers, geleerden, profeten op papier, de kans komt niet weer, dus kijk maar eens hier. Want er komen andere tijden” Ooit gezongen door de dit jaar 70 geworden Boudewijn de Groot. Laten we ons daar dan maar even aan vasthouden.
Lokale inkleuring
Na wat spitwerk vonden de onderzoekers als snel de rode draad. De bestudeerde nota’s en notities bleken namelijk ‘heel algemeen en vaag geformuleerd’ te zijn.Kwestie van knip en plakwerk blijkbaar want de onderzoekers zagen vaak ‘dezelfde teksten terugkomen'. De lokale inkleuring zou daarmee ontbreken. Maar dan zijn we er nog niet. Gemeenten blijken nauwelijks argumenten voorhanden te hebben waarom ze een sociaal wijkteam in het leven willen roepen. De sociale wijkteams worden blijkbaar gezien als dé organisatorische oplossing van de nieuwe wet- en regelgeving op gebied van jeugd, zorg en werk. De relatie met welke problemen er in de wijken spelen en hoe dit op te lossen met sociale wijkteams ontbreekt geheel volgens de onderzoekers. Afijn zo gaat dit nog een tijdje door. Met een ‘betere afstemming tussen de organisaties’, minder ‘professionele drukte’ en ja daar- komt- ie ‘het stimuleren van de burgerkracht’. Mandatering en aansturing ontbreken concluderen de onderzoekers droogjes. Klantgericht of klantgezwicht en wie is eigenlijk de klant?
Business as usual
Vooropgesteld, de verzorgingsstaat opnieuw uitvinden op regionaal en lokaal niveau is geen sinecure. Business as usual met hetzelfde ambtelijke kunstje op wijkniveau, daar kom je echter niet mee weg. Wat doen we nog wel en wat doen we niet meer in de wijk? En wie betaalt daarvoor de prijs? Dat is in feite de vraag met betrekking tot de positionering van de verzorgingsstaat. Als het op papier nu al niet duidelijk te krijgen is. Hoe moet het dan in de praktijk? Met de gedecentraliseerde aanpak in het sociale domein is niets mis. Maar dan zal er wel uit een ander bestuurlijk en beleidsmatig vaatje moeten worden getapt.
Mantra
Neem het mantra ‘de wijk en de (participerende) burger staat centraal‘. In deze aanname alleen al zitten twee grote risico’s. Ten eerste leidt dichterbij de burger tot een toename van de vraag. Er worden eerder problemen gesignaleerd die eerder kennelijk onopgemerkt en onbehandeld bleven. Ten tweede wekt de slogan ‘de burger centraal’ bij de burger de suggestie dat alle vragen op zijn minst in behandeling worden genomen. En niet alle vragen van de burger, hoe legitiem ook, kunnen worden opgepakt. Kwestie van kiezen en lef.
Van buiten naar binnen
Hoe dan wel? In hun beleidsnota’s en plannen van aanpak moeten lokale overheid en maatschappelijke dienstverleners zich rekenschap geven waar ze van zijn. Wat is het vraagstuk dat centraal staat? Welk programma en wat voor activiteiten horen daarbij? Leent deze aanpak zich voor zelfsturende burgers? En zo ja in welke mate? Om tot een adequate wijkaanpak te komen dient niet de burger maar het vraagstuk van de burger centraal te staan.Het gaat ook niet om de eigen kracht van de burger, maar om het versterken van het oplossend vermogen. En ook niet om het versterken van het sociale netwerk door de sociale wijkteams maar om het faciliteren van het organiserend vermogen binnen het netwerk. Dat moet per wijk en buurt bepaald worden en dat kan geen ambtelijke blauwdruk zijn. Niet de O van organisatie of de P van personeel moet centraal staan, maar de M van marktvraagstuk de D van dienstverleningsconcept. Maak daar keuzes en dan volgt de O van organisatie vanzelf. Werkend van buiten naar binnen in de volgorde van richten van doelen, inrichten van de organisatie en verrichten van de taken en het verdelen daarvan. Nooit te oud om te leren dus. “Kom schrijvers, geleerden, profeten op papier, de kans komt niet weer, dus kijk maar eens hier. Want er komen andere tijden” Ooit gezongen door de dit jaar 70 geworden Boudewijn de Groot. Laten we ons daar dan maar even aan vasthouden.
donderdag 25 juli 2013
Drie dimensionaal worstelen
Veel overheden worstelen momenteel met de zogenaamde drie decentralisatie dossiers: Jeugdzorg, WMO en Participatie. Meer doen met minder middelen. Kom daar maar eens om. Of anders, hoe leg je dit uit aan je inwoners als er volgend jaar gemeenteraadsverkiezingen zijn. De echte worsteling zit echter een laag dieper. In de kern gaat het om de veranderende verhouding tussen lokale overheid, maatschappelijke dienstverleners en de burgers. Feit is dat de overheid zich daar waar mogelijk terugtrekt dan wel haar rol minimaliseert binnen het maatschappelijk domein. Bezuinigingen eisen hun tol. Voorzieningen worden afgebouwd. Maatschappelijke organisaties beknot. Dit levert een spanningsveld op tussen faciliteren van de ‘harde’ en ‘zachte’ infrastructuur, het programmeren van activiteiten en de mogelijkheid tot zelforganisatie van (buurt)bewoners. U en ik dus. Aangesproken op ‘burgerkracht’ en ‘participatie’.In dit krachtenveld verschuift de rol van de gemeente. En in het kielzog die van de maatschappelijke dienstverleners. Minder centrale regie, meer procesfacilitator, meer werkend vanuit een dienstverlenend concept. Waarbij niet elk (maatschappelijk) verlangen van de burger nog langer wordt vertaald in een claimcultuur. Daar zit de echte worsteling.
Positioneringsvraag
Gemeentelijke bestuurders en betrokken professionals worstelen in dit kader vooral met een positioneringvraag. Waar zijn we van? Voor wie moeten we er zijn? Dat zowel lokale overheid als maatschappelijke organisaties op zoek gaan naar nieuwe oplossingen, voor een andere aanpak van vraagstukken is te prijzen. Wat doen we nog wel en wat doen we niet meer? En wie betaalt daarvoor de prijs? Dat is in feite de vraag met betrekking tot de positionering van de verzorgingsstaat. Centrale vragen hierbij zijn: wat moeten we gaan doen? Wat zijn daarvoor de eerste stappen? Hoe luidt de boodschap aan de maatschappelijke organisaties en burgers? Welk programma en wat voor activiteiten horen daarbij? Welke functie spelen daarin de sociale (activiteiten) en ruimtelijke (accommodaties) infrastructuur. Leent deze aanpak zich voor zelfsturende burgers? En zo ja in welke mate?
Co-creatie
In feite dient de lokale overheid een beroep te doen op co-creatie. Met een menselijke maat van onderlinge waardecreatie. Wat kunnen we voor elkaar betekenen? Het exploreren van initiatiefrijke ideeën. Het is de wereld van groot denken en klein beginnen. Nieuwe denkkaders en out-of-the-box. Waarbij de overheden van het “wat” moeten zijn en de aanverwante maatschappelijke organisaties van het “hoe”.
Helder kader
Het is niet zo ingewikkeld om maatschappelijke vraagstukken te prioriteren en ambities te formuleren. Toch ontbreekt dit vaak als het gaat om een goed ontwikkeld College programma. Een overheid meer van de strategische vraagstukken en minder van de operationele actiepunten. Meer 'wat' en minder 'hoe'. Het is van belang de verwachtingen over en weer bij te stellen. Dat vergt een duidelijke boodschap vanuit de overheid maar ook van betrokken professionals in het maatschappelijke middenveld. Met een helder en eenduidig verhaal van wat de bewoners kunnen verwachten . Wat de gemeente en de betrokken professionals niet meer doen. En wat nog wel.
Voorzieningen geen doel opzich
De beschikbaarheid aan huidige maatschappelijke voorzieningen zegt meer over de financiële middelen uit het verleden dan over de financiële tekorten van het heden. Overheid en professionals moeten bepalen of hun inzet voor een sociale en ruimtelijke infrastructuur toegevoegde waarde heeft of niet. Dat is wat anders dan van je inzet een verdelingsvraagstuk maken. Daar waar de (sociale) infrastructuur het hardste nodig is. Daar zit ook de burger die over het minste sociale kapitaal van zelfsturing of zelforganisatie beschikt. Daar is de rol van de overheid het grootst en zo was ooit ook de verzorgingsstaat bedoeld. Die boodschap moet helder zijn. Dit vereist positioneel denken en situationeel handelen. Voortdurend jouw rol als overheid en maatschappelijke organisatie helder krijgen: directe sturing, begeleiden, faciliteren of alleen maar kijken hoe het loopt? Misschien is “burgerkracht” wel meer een opgave voor overheden en professionals dan voor burgers.
donderdag 18 april 2013
Jumping-Jack-Flash-Momentje
Bij het componeren van hun album Beggars Banquet in een Engels landhuis in het voorjaar 1968 zagen de Rolling Stones met regelmaat de tuinman langs de open serre flitsen. Op de vraag van Mick Jagger wie dit was zei Keith Richards volgens de overleveringen“Jumping Jack Flash”. Zie hier de inspiratie voor een mooi Stones nummer. Het net gesloten Sociaal Akkoord deed mij denken aan Jumping Jack Flash.
Mixed emotions
Mixed emotions
Voordeel van het ouder worden is dat je nog eens terug kunt vallen op mooie nummers uit je jeugd. Bovendien zie ik soms de zelfde maatschappelijk bewegingen met dezelfde regelmaat langskomen. Inderdaad. Mijn Jumping-Jack-Flash-momentje. Het Sociaal Akkoord van Sociale Partners en overheid was zo’n ogenblik. Groot geworden met het Sociaal Akkoord van Wassenaar uit 1982 was het ditmaal andere koek. Konden de partners in die tijd er met anderhalve pagina mee af. Het Kabinet Rutte c.s. hebben maar liefst 40 pagina’s nodig. Met één klap moeten we in 2020 terug zijn waar eind vorige eeuw om moverende redenen afscheid van is genomen. Dat kost natuurlijk een paar pagina’s. Weinig historisch besef bij de huidige bestuurders. Mogelijk een collectief gevalletje van altzheimer. De gekozen bestuurlijke oplossing van de problematiek is er namelijk één uit de oude doos. Terug in de tijd naar een concept waar elk weldenkend mens indertijd van zei, dit niet meer. Tja. You are not the only one wtih mixed emotions zongen The Stones.
Akkoord in beton
Het is dan ook opmerkelijk dat de Sociale Partners weer de regie krijgen over de werknemersverzekering. Voor de parlementaire enquête in 1993 waren werkgevers en vakbonden ook al verantwoordelijk voor de uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid en werkloosheid in zogeheten bedrijfsverenigingen. En samen met de gemeenten bestierden zij arbeidsbureaus. Beide soorten instellingen zijn in de jaren negentig volledig ontmanteld. De toenmalige parlementaire enquêtecommissie onder leiding van PvdA’er Flip Buurmeijer concludeerde dat de werkgevers en bonden er een potje van hadden gemaakt. Hun ‘bedrijfsverenigingen’ waren vooral adequaat in het tijdig en soepel verstrekken van uitkeringen. De arbeidsbureaus konden al helemaal geen goed doen. Met één sprong terug in de tijd. Het bouwwerk van het poldermodel is weer helemaal terug daar waar het de arbeidsmarkt betreft. Een landelijke Werkkamer, arbeidsmarktregio’s 35 in getal met even zo vele besturen, Wekpleinen, Werkbedrijven en een Landelijke keuringsinstelling, Net of de bordjes verhangen zijn: LBA, CBA, RBA, Bedrijfsvereniging, UVI’s, UWV, CTSV, Tica, Arbeidsbureaus en Centra Werk en Inkomen. What is in the name? Het Akkoord is in beton gegoten volgens de Minister van Sociale Zaken. Kunnen we weer 30 jaar vooruit om in 2050 het beleid van begin deze eeuw weer op te pakken.
Boze tongen beweren dat het Sociaal Akkoord er gekomen is om de positie van de FNV te redden. Participeren in het arbeidsmarktbeleid door de vakbonden zo weet men uit het buitenland geeft status. En status geeft leden. Die heeft de tanenende Federatie hard nodig. Beter de FNV met Ton Heerts om zaken te doen dan invloed van muitende SP’ers moeten de werkgevers hebben bedacht. Hot Stuff I can’t get enough. Intussen is de werkloosheid gestegen tot 643.000. Een absoluut negatief record. Rutte heeft aangegeven in 2016 met oplossingen te komen voor de arbeidsmarkt. Tja. En degene die nu werkloos is dan? All I hear is the sound of rain falling on the ground I sit and watch as tears go by.
dinsdag 2 april 2013
De ene quotering is de andere niet
Quotering arbeidsgehandicapten
Eind maart meldde PostNL trots dat er een samenwerkingsovereenkomst was gesloten met de Sociale Werkvoorziening (WSW). Maar liefst 1.200 WSW konden aan de slag als postbezorger. Op termijn moeten daar nog eens 500 bijkomen. Gedacht wordt aan mensen in de bijstand. De suggestie wordt gewekt dat PostNL hiermee tevens voldoet aan de quotering van arbeidsgehandicapten. Een maatregel van de overheid waarbij bedrijven en organisaties met meer dan 25 werknemers verplicht worden gesteld dat minimaal 5% van het personeelsbestand uit gehandicapten moet bestaan. Bij PostNL werken 60.000 mensen. Met de overeenkomst lijkt dit bedrijf dus aardig op weg. Een nadere analyse van de overeenkomst leert dat het niet zo rooskleurig is als het wordt voorgesteld.
Business as usual
De overeenkomst bestaat in principe uit twee delen. In de distributiecentra gaan 1.200 WSW aan de slag. Daarnaast worden nog eens 500 postbezorgers ingehuurd. Totaal gaat het dus om 1.700 personen. Door bemiddeling van het Locusnetwerk is dit contract met PostNL tot stand gekomen. Een samenwerkingsverband van Divosa en Cedris die publiek-private samenwerking aangaat met het bedrijfsleven om mensen met afstand tot de arbeidsmarkt aan de slag te helpen. Locus speelt een belangrijke rol in de gesloten overeenkomst met PostNL. Kern van de overeenkomst is dat de postbezorgers en de mensen die gaan werken in de distributiecentra van PostNL daar niet op de pay-roll staan. Deel twee van de overeenkomst. Er is een zakelijke overeenkomst gesloten tussen de WSW-bedrijven en PostNL voor het verlenen van diensten. Daarmee genereren de samenwerkende WSW-bedrijven een omzet. In feite business as usual binnen de WSW-sector.
Verdienmodel PostNL
Wat PostNL angstvallig achterwege houdt is de omvang van het contract met de WSW-bedrijven. Toegegeven wordt dat de medewerkers in de distributiecentra goedkoper zijn, maar dat voor de postbezorgers een marktconforme prijs wordt betaald. Bijzonder in dit geval is dat PostNL in het verleden behoorlijk heeft gesneden in de personeelsformatie. Zo werden 10.000 vaste contracten omgezet in flexibele contracten. Daarnaast verlieten in 2,5 jaar tijd ruim 7.000 personen het bedrijf. Onlangs werd bekend dat er nog eens 3.000 zullen volgen. De constructie voor PostNL met de WSW-bedrijven moet dan ook wel goedkoper zijn dan werken met de voormalige postbodes. Het is niet voor niets dat PostNL verwacht in 2015 een verhoging van de nettowinst te realiseren die ligt tussen de € 300 en € 370 mln. Inmiddels weten we waar deze marge ondermeer vandaan kan komen.
Verdienmodel WSW
Omdat de WSW-medewerker niet in dienst komt van PostNL is er van een daadwerkelijke uitstroom naar de arbeidsmarkt geen sprake. Een euvel waar WSW-bedrijven al veel langer mee worstelen. Gemiddelde uitstroom ligt op 6% per jaar. Waarvan het gros door het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Redenerend vanuit het perspectief van een arbeidsmarktinstrument, daadwerkelijke uitstroom richting arbeidsmarkt, schiet de WSW daarmee te kort. Zo ook in dit geval. WSW-medewerkers die in de distributiecentra werken blijven op de pay-roll van de WSW-staan. Bovendien betaalt de WSW ook nog eens de begeleidingskosten. Het gemiddelde salaris in de SW ligt op € 28.000,- plus € 6.000,- begeleidingskosten komt dit neer op € 34.000,- per WSW-medewerker. Een bedrag wat PostNL echt niet zal betalen. Daar staat tegenover dat de WSW een subsidie ontvangt van € 25.975,- per FTE in 2013. Plus re-integratiemiddelen voor begeleiding. De totale subsidie inkomsten voor het WSW-bedrijf per FTE bedragen daarmee € 31.975,-. Per medewerker komt dit neer op een verlies van € 2.025,-. Dit verlies plus de kosten voor overige bedrijfsvoering moeten dan worden goed gemaakt door inkomsten uit omzet per FTE welke door PostNL zal worden betaald.In de regel draaien WSW-bedrijven dan nog met verlies. De goede uitzonderingen daar gelaten.Daarbij komt dat de subsidie per FTE de komende jaren gestaag gaat dalen. Het maakt de bedrijfsvoering er niet makkelijker op.
Verschil in beloning
Tot slot zit er nog een pikant detail aan deze hele overeenkomst met PostNL. Uitkeringstechisch is er sprake van twee categorieen van werknemers: een WSW'er en een bijsdtandsgerechtigde.Uitgaande van de detachering krijgt een WSW 120% van het minimumloon uitbetaald. Dit conform de WSW-cao. Deze WSW’er blijft immers in dienst van het WSW-bedrijf. Een bijstandsgerechtigde ontvangt, ondermeer in het kader van de nieuwe Participatiewet, maximaal het minimumloon. Deze bijstandsgerechtigde valt namelijk niet onder de WSW-cao. Voor hetzelfde werk bij PostNL krijgt een WSW’ er in the end meer uitbetaald dan de bijstandsgerechtigden. Tel uit je winst of je verlies, naar gelang je positie.
maandag 24 december 2012
Het comfort van de cornervlag
Wachtend voor het stoplicht kijk ik uit op het voetbalveld
van de plaatselijke KVVA aan de
overkant van de weg. De wedstrijd is net afgelopen. Op de achtergrond sjokken de
godenzonen in spe terug naar de kleedkamer. Op de voorgrond loopt een
grensrechter met een cornervlag onder de arm. Op weg om ook de andere cornervlag op
te halen.
Het is een week na het afschuwelijke incident in Almere. Inmiddels
strijden vooroordelen om elkaars voorrang. Zowel binnen als buiten de lijnen.Voetbal is een volksport. Voetbal is emotie. Over voetbal heeft iedereen een mening. Zowel binnen als
buiten de voetbalwereld. Zelfreflectie is vaak ver zoek. Ieder op zoek naar het eigen gelijk.
Opererend in de eigen comfortzone. Nog niet gewend zich te verhouden tot
veranderende maatschappelijke omstandigheden. Met voetbal alleen kom je er niet
meer. Als voormalige voetbalbestuurder heb ik dit de afgelopen 10 jaar als geen
ander ondervonden. Voetbalverenigingen zijn geen primitive isolates. Met een strenger
straffen. Een minuut stilte. Acties tot meer meer respect. Hoe nobel het
streven. "Je" komt er niet mee weg. Wat dan wel?
Voorop gesteld. Voetbalverenigingen zijn fatastische organisaties.
In staat om hun leden elke week weer een programma aan te bieden. Gerund door
vrijwilligers. Optredend als waakhond over het inbruikeleen verkregen
maatschappelijke vastgoed. Hoezo accommodatieloos welzijnsbeleid? Zelfsturende
burgers. Programmeren voor een brede doelgroep. Menig gesubsidieerde
maatschappelijke organisatie met bezoldigde professionals kan daar een
voorbeeld aan nemen.
Het dilemma is dat de organisatorische inzet van de gemiddelde voetbalvereniging niet
meer toereikend is. De overheid trekt zich in toenemde mate terug uit buurten
en wijken. Buurthuisvoorzieningen sluitend. Professionals weggesaneerd.
Maatschappelijke vraagstukken komen daarmee sneller een vereniging
binnenzetten. De druk op de organisatie neemt toe. Met het organiseren van een potje voetbal kom
je er niet meer. Zoekend naar een nieuwe
rol met een passende invulling. Voetbal niet langer een doel opzich,
maar een middel om maatschappelijke vraagstukken op te pakken. Kom daar maar
eens om.
Toch ligt het voor het oprapen. Haal in de eerste
plaats voetballende leden uit hun comfortzone. Vrijwilligers lopen zich veelal
uit de naad om de ‘ godenzonen’ het naar de zin te maken. De veters worden nog
net niet gestrikt. Als ze zich al niet het mannetje voelen creeeren
verenigingen dit zelf wel. Met het risico van ongewenst gedrag van dien.
Trap niet in de valkuil van de ultieme vrijwilliger. Die bestaat niet meer.
Vrijwilligerswerk doe je namelijk niet voor de vereniging maar voor jezelf.
Omdat je het leuk vindt. Voer daar
als vereniging gericht beleid op. Laat alleen leden toe waarvan de ouders actief
mee doen bij de club. Maar er is meer. Zoek als vereniging de verbinding in de
wijk met jongerenwerk, met de scholen, de wijkagent. De wereld van een jeugdlid
is groter dan die van een voetballer in het weekend. Het is niet de vraag of maar
hoe je als vereniging moet samenwerken met andere maatschappelijke
organisaties. Problemen op het veld zijn de spiegel van maatschappelijke onverschilligheid en onverdraagzaamheid. Probeer dit voor te zijn.
Tot slot de overheid en de KNVB. Lokale overheden
financieren aan de lopende band kunstgrasvelden en sportaccommodaties. Daarna
gaat veelal de deur dicht bij de
vereniging. Sociaal return of investment? Blijkbaar nooit van gehoord. Lokale
overheden mogen best wat terugvragen aan een sportvereniging voor een
investering van een paar ton in een kunstgrasveld. Wat denkt de vereniging
terug te doen voor de wijk de
buurt? Er is meer dan voetbal. Dit laatste is door de KNVB als slogan verheven
om met een gelijknamig programma de verruwing op en rond het veld tegen te
gaan. Tot nu toe is dit allemaal veel te marginaal gebleken. Nieuwe vraagstukken vragen om een
nieuwe structurele aanpak. Het verleden heeft dit bewezen. De KNVB en de betaald voetbalorganisaties zijn uitstekend in staat gebleken om eind vorige eeuw het
hooliganisme uit de stadions te verdrijven. Herpositionering van het voetbalbedrijf met al zijn glamour en
glitter. Roem voor velen, rijkdom voor enkelen. Met een succesvol doorontwikkelen van
nieuwe bedrijfs- en verdienmodellen in de voetbalwereld. Uitstekend allemaal.
Maak als KNVB nu ook eens serieus werk van de maatschappelijke rol van de
voetbalverenigingen met hun 1,2 mln. leden. Dat is pas de uitdaging van deze eeuw. Benieuwd wie na de
winterstop de cornervlaggen opruimt.
dinsdag 27 november 2012
De ontgroening van de duurzaamheid
Een tijdje geleden bezocht ik een tentoonstelling over Pop Art in Nijmegen. Een mooie verbeelding uit de tijdsperiode van de jaren vijftig en zestig. Bekende beelden, schilderijen, foto’s en muziek. Ze kwamen nagenoeg allemaal langs. Herkenbare metaforen uit een tijd waarin ik ben opgegroeid.
Dat bracht mij op de vraag hoe het huidige tijdsgewricht te duiden? Daar is niet een twee drie een antwoord op te formuleren. Vooral ook omdat we in eerste instantie nieuwe ontwikkelingen duiden met een verouderd begrippenkader. De eerste auto werd niet voor niets een ‘’horseless carriage” genoemd. In die categorie past het begrip ‘’betrouwbarebility”. Onlangs door Prinses Maxima geïntroduceerd tijdens een handelsmissie in Brazilië. “Sustainism” lijkt een betere term om de nieuwe tijd te duiden. Sustain wat?
We zijn het ‘’isme” voorbij. Delibereerde pas een docent op de Academie van mijn dochter. Haar repliek. Mogelijk zitten we al in een nieuwe tijd en hebben we het nog niet door. Een schot in de roos! Met de val van de muur raakten inderdaad de oude ideologische stromingen in verval. Het vastgeroeste ideologische waarden- en normenpatroon bleek niet meer toereikend om de toenmalige nieuwe tijd te duiden. De jaren negentig zijn in die zin een “waardenloze” periode gebleken. Los komen van rigide denkkaders en op zoek naar een nieuwe context voor een nieuwe koers.
In dit traject zijn we echter ook wat kwijt geraakt. Daarvoor betalen wij deze eeuw een forse prijs. De good Governance van de BV Nederland is aardig ontspoort. In de vorige eeuw zijn we vanuit een tolerante samenleving de grens gepasseerd naar een onverschillige. Onverschillig naar mens, omgeving en milieu. Met als gevolg een verdergaande onverdraagzaamheid. De verwording van de cultuur van het eigen belang. Waar maar één emotie telt en dat is de eigen emotie. Met één gelijk en dat is het eigen gelijk. Hou je wereld klein en sluit de ander buiten. Met vechtkabinetten, tegenstellingen tussen sociale klassen, banken als financiële dementors met bijbehorende graaicultuur. Niet echt een klimaat voor innovatie en creatie. Dat is één kant van het verhaal.
Tegelijkertijd heeft zich een nieuwe cultuur ontwikkeld. Met het world wide web als metafoor. Of het nu gaat over eten of de stad, productie of media, kennis of duurzame ontwikkeling. Alles en iedereen is met elkaar verbonden. Het is de cultuur van netwerken, delen, lenen en uitwisselen. Wat we zien, is een overgang naar een nieuwe levensstijl en een ander perspectief: meer verbonden, meer lokaal en zeker duurzamer. Op zoek naar een nieuwe manier van werken met andere verdienmodellen. Met overschot en tekort langs de lijnen van waardecreatie.
Het sustainisme probeert deze ontwikkeling te duiden maar omvat veel meer dan duurzaamheid. In deze context is duurzaamheid niet langer het monopolie van de groene sector. Inderdaad de ontgroening van de duurzaamheid. Het gaat evenzo over het veranderende medialandschap,internet, sociale media en de opensourcebeweging. Dit gedachtegoed moeten we aanwenden om creatieve oplossingen te vinden voor complexe problemen en maatschappelijke vraagstukken. Die beweging is al aan de gang, in delen van het bedrijfsleven, de overheid en maatschappelijke organisaties. We leven in het lokale en zijn tegelijkertijd wereldburgers. De opkomst van een nieuw ‘lokalisme’ in een gemondialiseerde wereld is een van de kenmerken van het sustainisme. Lokaal en mondiaal staan niet meer tegenover elkaar. Het is de wereld van de lokale markt én Twitter, de kroeg en Facebook, de buurt én CNN. ‘Lokaal’ wordt behalve een geografische plaatsbepaling, een kwaliteit op zichzelf. Het verandert ook onze kijk op innovatie en kennis, op hoe we stad en landschap inrichten, onze businessmodellen, de eetcultuur en veelmeer.
Terwijl ik deze blog schrijf ploft op de deurmat een pakketje. Met daarin het boek 'Sustainism is the new modernism' van Michiel Schwarz en Joost Elfers. Declares the dwan of een new cultural era. Als kind van de jaren zestig en cultureel antropoloog blijf ik toch een cultuuroptimist. De cultuur van het inspireren tot nieuwe verbindingen en creatieve oplossingen die nodig zijn voor een vitale samenleving. Welkom thuis. Wie doet mee?
maandag 8 oktober 2012
De wijk bestaat niet
Een tijdje geleden mocht ik aanschuiven bij een maatschappelijk business diner. Onder het genot van een drankje en smakelijk bereid eten stond “nieuwe coalities in de wijk” op het menu. Een moeilijk te verteren gang. De ingrediënten bestonden uit te ontwikkelen businessmodellen. Het benutten van arbeidskrachten in de wijk. Dit met als doel het tegemoet komen aan de groeiende vraag van informele zorg. Kom daar maar eens om in deze lastige tijd. Bent u er nog? Inderdaad zware kost. De wijk terug op de politiek-bestuurlijke agenda. Met als sommelier het Ministerie van Binnenlandse zaken en de lokale overheid. Een overheid die weet wat goed is voor u en mij in de wijk. Tja.
Feit is dat de overheid zich in toenemende mate terugtrekt uit buurten en wijken. Bezuinigingen eisen hun tol. Voorzieningen worden afgebouwd. Maatschappelijke organisaties beknot. Buurtbewoners in vertwijfeling achter latend. Dat zowel de centrale als lokale overheid op zoek gaan naar nieuwe oplossingen, voor andere aanpak van vraagstukken in de wijk, is te prijzen. Echter. Als je het verschil niet kent tussen een balans en een exploitatierekening. Dan is het spelen met vuur als je over businessmodellen begint. Buurtbewoners als ondernemers benadert. De wijk als een markplaats ziet. Drie keer mis tasten is ook een vak. Zelfreflectie een broodnodige kwaliteit.
Wat doen we nog wel en wat doen we niet meer? En wie betaalt daarvoor de prijs? Dat is in feite de vraag met betrekking tot de positionering van de verzorgingsstaat. De overheid en de politiek breken hier hun hersens over. Politieke partijen schieten daarbij vooral in voorspelbare reflexen van hun veelal gedateerde gedachtegoed. Helaas, de oplossing loopt niet meer langs ‘’ links’’ en ‘’ rechts’’ . Maar langs de lijnen van conservatief en innovatief. Dwars door het huidige politieke spectrum.
In het verlengde daarvan spant de centrale overheid zich in om het beleid te decentraliseren. Top down met dwingende formats. Lokale overheden kennen zo hun eigen werkelijkheid. Een productieproces van wet- en regelgeving. De praktijk blijkt weerbarstig. Hier wordt gewoond in regelingen en geleefd van (teruglopende) subsidieverstrekking. Vraagstukken worden gefileerd langs het regime van regelingen en maatregelen. Een helder en samenhangend beeld van ‘’ de wijk” is dan ver weg. Laat staan een integrale aanpak. Sector- en regelingsoverstijgend.
Wie het geheel niet beziet ziet ook zijn eigen zaken niet. Een geografische wijkeenheid is wat anders dan een samenhangende sociale entiteit. Te exploiteren als een markt. Waar wijkbewoners op afroep van de overheid de handen ineen slaan. Vraagstukken en doelgroepen middels een passende dienstenservice aan elkaar weten te verbinden. Met een businessmodel gebaseerd op een sluitend verdienmodel. Thomas Moore had het met zijn Utopia niet beter kunnen bedenken.
Een wijkaanpak start van onderop. Met een menselijke maat van onderlinge waarde creatie. Wat kunnen we voor elkaar betekenen? Het exploreren van initiatiefrijke ideeen. We mogen al tevreden zijn als dit het buur- of staartniveau ontstijgt. Het is de wereld van groot denken en klein beginnen. Nieuwe denkkaders en out-of-the-box. Met een andere rol voor buurtinitiatieven en/of buurtorganisaties. Een extra maatschappelijke taak voor het verenigingsleven. Hoe lossen we met elkaar de problemen in de buurt op? Welke faciliterende rol kan en moet de overheid daarbij spelen? Het is met elkaar de verzorgingsstaat opnieuw uitvinden. Dat begint bij u en mij om de hoek.
vrijdag 21 september 2012
Oud denken en nieuwe media in Haren
Dat het gebruik van social media zoals Facebook hand over hand toeneemt weet inmiddels ook de gemeente Haren. Ruim 15.000 mensen die het "leuk vonden" op een feestje van een 16 jarige te komen. De ''oude media" pikte dit nieuws op. Hoe zo marktbereik en exposure? Daar kan geen citymarketing tegenop. Vervolgens schoot de gemeente in de stress. Haren op slot. Bezoekers buiten de poort. Met een beetje ondernemerszin en creativiteit had er een mooie party ingezeten. Met een omzet tussen de 5 en 6 ton.Wat rest was een mooie marketingcase in mijn workshop social media. Met dank aan Haren.
Kenmerk van de social media is dat je voordurend signalen uitzendt wat je doet. Zien en gezien worden bij de virtuele dorpspomp. Daar zet je je beste beentje voor. Niets nieuws onder de zon en ooit in de jaren vijftig van de vorige eeuw zo mooi beschreven door Erving Goffman in the Presentation of Self in Everyday Life. Geinteresseerd in het doen en laten van de ander. Dat volgen we en etaleren wij. Zowel prive als zakelijk. In die zin heeft de traditionele website zijn langste tijd gehad. Te statisch en vooral gericht op wat je bent. Het is niet voor niets dat de "platte website" in de VS opgang doet. Een verwijzingsbord naar Facebook, weblog, Twitter, LinkedIn, video kanalen zoals Vimeo en You Tube etc. Zoek het maar uit, maar dan in de goede zin van het woord. Het is niet ondenkbeeldig dat Web gewoon App wordt.
Intussen in Haren. De spanning loopt op. Het aantal mensen dat aangeeft naar Haren te komen nadert inmiddels de 30.000. Bestuurders in paniek. Ambtenaren zwetend in de weer om straatborden en borden "Welkom in Haren" weg te halen. Google maps met streetview waarschijnlijk nooit van gehoord daar in het gemeentehuis. Oude wereld ontmoet nieuwe wereld. Welkom. Vind ik leuk.
Dat social media een steeds grotere impact heeft en een belangrijk onderdeel vormt in de marketingstrategie van bedrijven en organisaties mag als gegeven worden beschouwd. Zo maken 7,3 mln. Nederlanders gebruik van Facebook, waarvan er 4,3 miljoen dagelijks. Een groot bereik en een hoge intensiteit. Zeker als je dit vergelijkt met LinkedIn. Daarvan maken 3,2 mln. Nederlanders gebruik van, waarvan 300.000 dagelijks. Grote verliezer is Hyves. Nog maar 3 mln. gebruikers, waarvan 900.000 dagelijks. Als u dit stukje leest hebben inmiddels 4.500 personen Facebook bezocht. Ruim 4.000 daarvan in de leerftijdscategorie 15 tot 20 jaar. Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Dat heeft Apple goed begrepen.
Voor velen, behoudens de jongere generaties onder ons, is het lang gangbaar geweest om het gebruik van Facebook en LinkedIn strikt te scheiden. Facebook prive en LinkedIn zakelijk. Die grenzen zijn aan het vervagen. De verandering komt niet zozeer bij LinkedIn vandaan, maar bij Facebook. In het nieuwe besturingssysteem van de Apple de iO6 is Facebook volledig geintergreerd. Apparte accounts voor bedrijven, evenementen, producten etc. kon je al aanmaken in Facebook. Door agendasynchronisatie worden je klanten automatisch geattendeerd op jouw acties of een te organiseren workshop. De technische mogelijkheden zijn nog lang niet uitgenut. De zakelijke markt wordt daarmee ontsloten.
Ondertussen zit Apple op rozen. Van de huidige gebruikers van Facebook denken 8 op de 10 in 2015 nog steeds op Facebook te zitten. Dit zitten vast aan Apple met de IPhone zoveel en de next generation Ipads. Maar wat belangrijker is. Kleintjes worden groot. Het zijn de werknemers van morgen. De Facebookgeneratie. Laten zien wat je doet. Met snelle communicatie. Creatieve oplossingen en nieuwe concepten. Facebook gaat als platform een onlosmakelijk deel uit maken van de zakelijk markt. Ooit zal deze generatie elkaar vragen. Was jij er ook bij in Haren? De ambtenaren uit Haren maken dan op hun oude dag als hulpbehoevende bejaarden dankbaar gebruik van de nieuwste wifi-zorgapplicaties. Zo kwam het toch nog goed daar in Haren.
Kenmerk van de social media is dat je voordurend signalen uitzendt wat je doet. Zien en gezien worden bij de virtuele dorpspomp. Daar zet je je beste beentje voor. Niets nieuws onder de zon en ooit in de jaren vijftig van de vorige eeuw zo mooi beschreven door Erving Goffman in the Presentation of Self in Everyday Life. Geinteresseerd in het doen en laten van de ander. Dat volgen we en etaleren wij. Zowel prive als zakelijk. In die zin heeft de traditionele website zijn langste tijd gehad. Te statisch en vooral gericht op wat je bent. Het is niet voor niets dat de "platte website" in de VS opgang doet. Een verwijzingsbord naar Facebook, weblog, Twitter, LinkedIn, video kanalen zoals Vimeo en You Tube etc. Zoek het maar uit, maar dan in de goede zin van het woord. Het is niet ondenkbeeldig dat Web gewoon App wordt.
Intussen in Haren. De spanning loopt op. Het aantal mensen dat aangeeft naar Haren te komen nadert inmiddels de 30.000. Bestuurders in paniek. Ambtenaren zwetend in de weer om straatborden en borden "Welkom in Haren" weg te halen. Google maps met streetview waarschijnlijk nooit van gehoord daar in het gemeentehuis. Oude wereld ontmoet nieuwe wereld. Welkom. Vind ik leuk.
Dat social media een steeds grotere impact heeft en een belangrijk onderdeel vormt in de marketingstrategie van bedrijven en organisaties mag als gegeven worden beschouwd. Zo maken 7,3 mln. Nederlanders gebruik van Facebook, waarvan er 4,3 miljoen dagelijks. Een groot bereik en een hoge intensiteit. Zeker als je dit vergelijkt met LinkedIn. Daarvan maken 3,2 mln. Nederlanders gebruik van, waarvan 300.000 dagelijks. Grote verliezer is Hyves. Nog maar 3 mln. gebruikers, waarvan 900.000 dagelijks. Als u dit stukje leest hebben inmiddels 4.500 personen Facebook bezocht. Ruim 4.000 daarvan in de leerftijdscategorie 15 tot 20 jaar. Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Dat heeft Apple goed begrepen.
Voor velen, behoudens de jongere generaties onder ons, is het lang gangbaar geweest om het gebruik van Facebook en LinkedIn strikt te scheiden. Facebook prive en LinkedIn zakelijk. Die grenzen zijn aan het vervagen. De verandering komt niet zozeer bij LinkedIn vandaan, maar bij Facebook. In het nieuwe besturingssysteem van de Apple de iO6 is Facebook volledig geintergreerd. Apparte accounts voor bedrijven, evenementen, producten etc. kon je al aanmaken in Facebook. Door agendasynchronisatie worden je klanten automatisch geattendeerd op jouw acties of een te organiseren workshop. De technische mogelijkheden zijn nog lang niet uitgenut. De zakelijke markt wordt daarmee ontsloten.
Ondertussen zit Apple op rozen. Van de huidige gebruikers van Facebook denken 8 op de 10 in 2015 nog steeds op Facebook te zitten. Dit zitten vast aan Apple met de IPhone zoveel en de next generation Ipads. Maar wat belangrijker is. Kleintjes worden groot. Het zijn de werknemers van morgen. De Facebookgeneratie. Laten zien wat je doet. Met snelle communicatie. Creatieve oplossingen en nieuwe concepten. Facebook gaat als platform een onlosmakelijk deel uit maken van de zakelijk markt. Ooit zal deze generatie elkaar vragen. Was jij er ook bij in Haren? De ambtenaren uit Haren maken dan op hun oude dag als hulpbehoevende bejaarden dankbaar gebruik van de nieuwste wifi-zorgapplicaties. Zo kwam het toch nog goed daar in Haren.
dinsdag 12 juni 2012
Ziende blind in het maatschappelijk vastgoed
Een jaar geleden keek ik met mijn jongste zoon naar Inside Job. Een film over oorzaken en gevolgen van onrendabele vastgoedportefeuilles in Amerika. Zou het hier ook zo kunnen gaan was de vraag. Niet in die mate zoals in Amerika , maar niets is onmogelijk was onze conclusie.
Inmiddels heeft de financiële werkelijkheid ons in gehaald. Dalende huizenprijzen, leegstand op de kantorenmarkt, woningbouwcorporaties met ingewikkelde financieringsconstructies balancerend op het randje van de afgrond. Deze crisis laat ook het maatschappelijk vastgoed niet ongemoeid. Zo bleek recentelijk bij het debacle met Amarantis. Daarbij zal het helaas niet blijven. Zo maakte het NRC gisteren melding van problemen bij ROC Leiden. Wensdenken en wanbeleid was de kop. De werkelijkheid blijkt de fantasie echter verder te boven te gaan dan uit het artikel blijkt. Een analyse.
In het kort. ROC Leiden besluit tot nieuwbouw op twee locaties in Leiden. Altijd lastig om 20 jaar vooruit te plannen op een markt waarvan het leerlingaantal de komende jaren gemiddeld met 10% daalt. De investering kost ruim € 75 mln. Veel geld en daar moet je als maatschappelijk bestuurder zorgvuldig mee omgaan natuurlijk. Goede raad is duur en gelukkig beschikt je over financiële adviseurs zoals het bedrijf ILFA dat van de hoed en de rand weet om dit varkentje te wassen. Wat te doen?
Het nieuwe pand van ROC Leiden wordt na oplevering verkocht aan een investeerder. De Green Real Estate. Deze verhuurt het pand terug aan het ROC. De onderhoudskosten zijn voor de investeerder. Niks mis mee. Business as usual. Alleen na 20 jaar moet het ROC het pand terugkopen van de investeerder tegen een iets lagere prijs waarvoor het gekocht is. € 73 mln. Om zeker te zijn dat het ROC ook dat pand daadwerkelijk terugkoopt moet het ROC Leiden jaarlijks een bedrag storten bij de Bank Nederlandse Gemeenten. Omdat de BNG niet rechtstreeks zaken mag doen met commerciële partijen zoals Green Real Estate wordt een zogenaamd Public Private Partnershop (PPS) opgericht. Een filiaal waarlangs de betalingen kunnen worden verricht. Bv’tje klaar zaken gefikst.
De effecten van deze transitie? Green Real Estate strijkt voor een periode van 20 jaar een fantastisch rendement op dat ver boven het marktgemiddelde van 14% ligt. Over 20 jaar wordt het pand bovendien weer verkocht voor nagenoeg het bedrag van de aanschaf. Niks onrendabel vastgoed in portefeuille. De BNG weet zich verzekert van een 20 jarige financiering met een leuk rendement. Onze financiële adviseurs van ILFA hebben een mooie klus geklaard en worden daarvoor vorstelijk beloond. Zakelijk slim, maar ja het gaat wel om gemeenschapsgeld. En het ROC Leiden. Tja. Inmiddels zit de vastgoedmarkt fors tegen. Dus of het pand over 20 jaar nog dezelfde waarde heeft is maar de vraag. Bovendien krimpt de markt van leerlingen hetgeen tot minder inkomsten leidt. Maar je hebt wel een duur pand staan waar je aan vast zit. Daarnaast loopt de cashflow terug. Want in plaats van te reserveren middels afschrijvingen moet er afgelost worden aan de BNG. Met open ogen erin getuind. Ziende blind voor de gevolgen.
Wat geleerd van dit verhaal? Na deze nieuwbouw start het ROC bij het centraal station een tweede project. Zelfde condities en hoofdrolspelers. Deze laatste zijn geen onbekenden van elkaar. Green Real Estate is van Cor Zeeman, jawel die ja. In de weer met maatschappelijk vastgoed maar dan wel onder zijn zakelijke voorwaarden. Zeeman is een goede relatie van de directeur van ILFA. En de BNG dan? Nou die zitten in de Raad van Advies van ILFA. Goede raad is duur. De volgende klant wacht.
Boven draait mijn zoon Tom Waits. If there’s one thing you can say about mankind. There’s nothing kind about man. Soms lijken we meer op Amerika dan we zouden willen.
Inmiddels heeft de financiële werkelijkheid ons in gehaald. Dalende huizenprijzen, leegstand op de kantorenmarkt, woningbouwcorporaties met ingewikkelde financieringsconstructies balancerend op het randje van de afgrond. Deze crisis laat ook het maatschappelijk vastgoed niet ongemoeid. Zo bleek recentelijk bij het debacle met Amarantis. Daarbij zal het helaas niet blijven. Zo maakte het NRC gisteren melding van problemen bij ROC Leiden. Wensdenken en wanbeleid was de kop. De werkelijkheid blijkt de fantasie echter verder te boven te gaan dan uit het artikel blijkt. Een analyse.
In het kort. ROC Leiden besluit tot nieuwbouw op twee locaties in Leiden. Altijd lastig om 20 jaar vooruit te plannen op een markt waarvan het leerlingaantal de komende jaren gemiddeld met 10% daalt. De investering kost ruim € 75 mln. Veel geld en daar moet je als maatschappelijk bestuurder zorgvuldig mee omgaan natuurlijk. Goede raad is duur en gelukkig beschikt je over financiële adviseurs zoals het bedrijf ILFA dat van de hoed en de rand weet om dit varkentje te wassen. Wat te doen?
Het nieuwe pand van ROC Leiden wordt na oplevering verkocht aan een investeerder. De Green Real Estate. Deze verhuurt het pand terug aan het ROC. De onderhoudskosten zijn voor de investeerder. Niks mis mee. Business as usual. Alleen na 20 jaar moet het ROC het pand terugkopen van de investeerder tegen een iets lagere prijs waarvoor het gekocht is. € 73 mln. Om zeker te zijn dat het ROC ook dat pand daadwerkelijk terugkoopt moet het ROC Leiden jaarlijks een bedrag storten bij de Bank Nederlandse Gemeenten. Omdat de BNG niet rechtstreeks zaken mag doen met commerciële partijen zoals Green Real Estate wordt een zogenaamd Public Private Partnershop (PPS) opgericht. Een filiaal waarlangs de betalingen kunnen worden verricht. Bv’tje klaar zaken gefikst.
De effecten van deze transitie? Green Real Estate strijkt voor een periode van 20 jaar een fantastisch rendement op dat ver boven het marktgemiddelde van 14% ligt. Over 20 jaar wordt het pand bovendien weer verkocht voor nagenoeg het bedrag van de aanschaf. Niks onrendabel vastgoed in portefeuille. De BNG weet zich verzekert van een 20 jarige financiering met een leuk rendement. Onze financiële adviseurs van ILFA hebben een mooie klus geklaard en worden daarvoor vorstelijk beloond. Zakelijk slim, maar ja het gaat wel om gemeenschapsgeld. En het ROC Leiden. Tja. Inmiddels zit de vastgoedmarkt fors tegen. Dus of het pand over 20 jaar nog dezelfde waarde heeft is maar de vraag. Bovendien krimpt de markt van leerlingen hetgeen tot minder inkomsten leidt. Maar je hebt wel een duur pand staan waar je aan vast zit. Daarnaast loopt de cashflow terug. Want in plaats van te reserveren middels afschrijvingen moet er afgelost worden aan de BNG. Met open ogen erin getuind. Ziende blind voor de gevolgen.
Wat geleerd van dit verhaal? Na deze nieuwbouw start het ROC bij het centraal station een tweede project. Zelfde condities en hoofdrolspelers. Deze laatste zijn geen onbekenden van elkaar. Green Real Estate is van Cor Zeeman, jawel die ja. In de weer met maatschappelijk vastgoed maar dan wel onder zijn zakelijke voorwaarden. Zeeman is een goede relatie van de directeur van ILFA. En de BNG dan? Nou die zitten in de Raad van Advies van ILFA. Goede raad is duur. De volgende klant wacht.
Boven draait mijn zoon Tom Waits. If there’s one thing you can say about mankind. There’s nothing kind about man. Soms lijken we meer op Amerika dan we zouden willen.
donderdag 7 juni 2012
Dringen op de arbeidsmarkt
Nog geen vier jaar geleden kwam de commissie Bakker met de voorspelling dat door vergrijzing en ontgroening vanaf 2015 er een nijpend tekort zou ontstaan op de arbeidsmarkt. De pensioen leeftijd en de participatiegraad van vrouwen en jongeren moest omhoog. Dat is gelukt. Het arbeidsaanbod groeide snel, ook toen Nederland in 2011 voor de tweede keer in korte tijd in een recessie terecht kwam. Daarmee snijdt het mes nu aan twee kanten. Groeiend arbeidsaanbod en krimpende werkgelegenheid. Het gevolg een fors stijgende werkloosheid over een langere periode. Dit blijkt uit de cijfers van het UWV over de arbeidsmarktprognose 2012- 2013
Het wordt dringen op de arbeidsmarkt. Terwijl het aantal beschikbare banen afneemt, willen meer mensen aan het werk. Ondanks de vergrijzing verdwijnt de voorspelde krapte uit zicht. De werkgelegenheid zal dit en komend jaar krimpen met 44.000 banen. Pas vanaf 2014 zal er weer wat groei te verwachten zijn in het aantal banen. Maar een volledig herstel zit er voorlopig niet in. Dat betekent dat het aantal werkzoekenden de komende vijf jaar structureel hoger zal uit¬komen dan Nederland de laatste jaren gewend was. Het aantal werkzoekenden neemt niet alleen toe doordat er minder werk beschikbaar is. Want ondanks de crisis zet de stijging van de arbeidsparticipatie de komende jaren door, is de verwachting van het UWV.De groei van het aantal nieuwkomers op de arbeidsmarkt is hoger dan de groep babyboomers die de komende jaren met pensioen gaat. Maar daar staan geen banen tegenover.
Nog dit jaar komen er vooral veel jongeren bij die tijdens de recessie in 2009 besloten langer door te studeren maar die mogelijkheid nu niet meer hebben. Naast de jongeren zullen ook structureel meer ouderen en vrouwen de ¬arbeidsmarkt betreden. Voltijds huisvrouwen stellen hun hernieuwde arbeidsdeelname niet langer uit en ouderen zijn onzekerder geworden over de hoogte van hun toekomstige pensioenuitkering. Het zal de kansen voor 55-plussers en arbeidsgehandicapten er niet groter op maken, groepen die nu al gelden als moeilijk bemiddelbaar. In de afgelopen tien jaar is het bestand werklozen langer dan 1 jaar werkloos niet meer onder de 225.000 gekomen. Sterker nog. Na elke recessie neemt het aantal langdurig werklozen en werklozen zonder startkwalificatie verder toe. De segmentatie op de arbeidsmarkt krijgt in de 21e eeuw daarmee steeds duidelijker contouren. Een segment met werkenden met een vastcontact, een categorie met flexibele contracten, een groep die wisselend werk heeft en werkloos is. Een groeiende groep die structureel uitgesloten blijft van werk en daarmee niet of nauwelijks toegang krijgt naar (formeel) werk.
De kansrijkheid op een baan verschilt natuurlijk per sector en per regio. Specifieke sectoren blijven kampen met krapte, zoals de zorg en de metaal. Bepaalde regio’s kampen juist met tekorten zoals de Achterhoek, Limburg en de kop van Noord-Holland. Maar toch. De cijfers van een groeiende groep laag opgeleiden langdurig werklozen zijn onmiskenbaar. De middelen om mensen om te scholen naar deze groeisectoren heeft het UWV echter niet meer. Het re-integratiebudget van € 58 mln. dat het UWV vorig jaar nog tot zijn beschikking had, is volledig geschrapt. De beslissing van het demissionaire kabinet-Rutte om dat budget in te trekken berust op de veronderstelling dat er de komende jaren krapte op de arbeidsmarkt zou ontstaan als gevolg van de vergrijzing. Die aanname blijkt nu onterecht. Daar waar in de vorige eeuw het arbeidsmarktbeleid kon beschikken over een scholingsinfrastructuur voor werkzoekenden. Waarmee werklozen in het (dag)ritme bleven om hun kwalificaties te verbeteren. Het zogenaamde scholen op voorraad voor betere arbeidsmarktijden. Zijn door decentralisatie van het arbeidsmarktbeleid in combinatie met de privatisering in deze eeuw de scholingsinstrumenten en middelen nagenoeg verdwenen. Met de verkorting van de WW zijn het de gemeenten die uiteindelijk de rekening (gaan) betalen. Deze zullen zich te zijner tijd wel melden in Den Haag. Zo is de cirkel van de decentralisatie van het arbeidsmarktbeleid en privatisering weer rond.
Het wordt dringen op de arbeidsmarkt. Terwijl het aantal beschikbare banen afneemt, willen meer mensen aan het werk. Ondanks de vergrijzing verdwijnt de voorspelde krapte uit zicht. De werkgelegenheid zal dit en komend jaar krimpen met 44.000 banen. Pas vanaf 2014 zal er weer wat groei te verwachten zijn in het aantal banen. Maar een volledig herstel zit er voorlopig niet in. Dat betekent dat het aantal werkzoekenden de komende vijf jaar structureel hoger zal uit¬komen dan Nederland de laatste jaren gewend was. Het aantal werkzoekenden neemt niet alleen toe doordat er minder werk beschikbaar is. Want ondanks de crisis zet de stijging van de arbeidsparticipatie de komende jaren door, is de verwachting van het UWV.De groei van het aantal nieuwkomers op de arbeidsmarkt is hoger dan de groep babyboomers die de komende jaren met pensioen gaat. Maar daar staan geen banen tegenover.
Nog dit jaar komen er vooral veel jongeren bij die tijdens de recessie in 2009 besloten langer door te studeren maar die mogelijkheid nu niet meer hebben. Naast de jongeren zullen ook structureel meer ouderen en vrouwen de ¬arbeidsmarkt betreden. Voltijds huisvrouwen stellen hun hernieuwde arbeidsdeelname niet langer uit en ouderen zijn onzekerder geworden over de hoogte van hun toekomstige pensioenuitkering. Het zal de kansen voor 55-plussers en arbeidsgehandicapten er niet groter op maken, groepen die nu al gelden als moeilijk bemiddelbaar. In de afgelopen tien jaar is het bestand werklozen langer dan 1 jaar werkloos niet meer onder de 225.000 gekomen. Sterker nog. Na elke recessie neemt het aantal langdurig werklozen en werklozen zonder startkwalificatie verder toe. De segmentatie op de arbeidsmarkt krijgt in de 21e eeuw daarmee steeds duidelijker contouren. Een segment met werkenden met een vastcontact, een categorie met flexibele contracten, een groep die wisselend werk heeft en werkloos is. Een groeiende groep die structureel uitgesloten blijft van werk en daarmee niet of nauwelijks toegang krijgt naar (formeel) werk.
De kansrijkheid op een baan verschilt natuurlijk per sector en per regio. Specifieke sectoren blijven kampen met krapte, zoals de zorg en de metaal. Bepaalde regio’s kampen juist met tekorten zoals de Achterhoek, Limburg en de kop van Noord-Holland. Maar toch. De cijfers van een groeiende groep laag opgeleiden langdurig werklozen zijn onmiskenbaar. De middelen om mensen om te scholen naar deze groeisectoren heeft het UWV echter niet meer. Het re-integratiebudget van € 58 mln. dat het UWV vorig jaar nog tot zijn beschikking had, is volledig geschrapt. De beslissing van het demissionaire kabinet-Rutte om dat budget in te trekken berust op de veronderstelling dat er de komende jaren krapte op de arbeidsmarkt zou ontstaan als gevolg van de vergrijzing. Die aanname blijkt nu onterecht. Daar waar in de vorige eeuw het arbeidsmarktbeleid kon beschikken over een scholingsinfrastructuur voor werkzoekenden. Waarmee werklozen in het (dag)ritme bleven om hun kwalificaties te verbeteren. Het zogenaamde scholen op voorraad voor betere arbeidsmarktijden. Zijn door decentralisatie van het arbeidsmarktbeleid in combinatie met de privatisering in deze eeuw de scholingsinstrumenten en middelen nagenoeg verdwenen. Met de verkorting van de WW zijn het de gemeenten die uiteindelijk de rekening (gaan) betalen. Deze zullen zich te zijner tijd wel melden in Den Haag. Zo is de cirkel van de decentralisatie van het arbeidsmarktbeleid en privatisering weer rond.
vrijdag 25 november 2011
De kunst van cultureel ondernemerschap
Donderdag 24 november moest ik een workshop leiden over cultureel ondernemerschap. Een lastige, met teruglopende subsidies, kostprijsverhogende btw en dalende koopkracht vanwege een nakende recessie. Kom daar mee eens om in deze tijd. Alles van waarde is weerloos en helaas reageert de cultuursector ook zo. Ter voorbereiding op mijn presentatie ben ik toch maar eens in wat cijfers gedoken. Voor mij als buitenstaander onthutsend. Het deed mij de stelling ontlokken dat ondanks de politiek aan een sanering van de sector niet te ontkomen viel.
Als goed marketeer werkte ik 'van buiten naar binnen' en ging op zoek naar kengetallen van de branche. Zo leerde dat in de periode 2000 - 2008 landelijk het aantal gesubsidieerde culturele instellingen verdubbelde. Tegelijkertijd nam de subsidie maar met 30% toe. Dan verdeel je met elkaar de armoede. Door de groei van staf en overhead nam de financiële waarde op het podium af. Dit resulteerde in een gemiddelde kostprijs per bezoek van € 81,-in een theater met een gemiddelde subsidie van € 55,-. Tel uit je winst of beter gezegd je verlies.
Nooit geweten, maar culturele instellingen in Nederland zijn jaarlijks € 700 mln. kwijt aan huisvestingskosten. Dat is meer dan bijvoorbeeld welzijn € 400 mln. of kinderopvang, € 500 mln. Sterker nog met € 260,- m2 per jaar huisvestingskosten kent de sector de duurste m2 van het maatschappelijke vastgoed. En dan heb ik nog geen eens naar de bezettingsgraad gekeken.
In de periode 2008 - 2011 verloren de podiumkunsten een kwart van hun klanten vanwege de recessie. Met aangekondigde bezuinigingen daar bovenop wordt verwacht dat 2/3 van het aanbod zal verdwijnen. Als oplossingsrichting wordt de sector ondernemerschap voor ogen gehouden. Los van het economische klimaat en politieke interventies (BTW!) kent de sector in Nederland geen tradities van eigen inkomsten. In Engeland bij voorbeeld komt 55% van de omzet uit eigen inkomsten. In Nederland ligt dit gemiddeld op 20% voor de podiumkunsten met 18% zelfs lager. In Vlaanderen doen ze dat met 38% zelfs nog beter.
Naast een sanering van de bedrijfstak zullen de beoogde overlevers in de sector hun knopen moeten tellen. Hoe genereer ik meer eigen inkomsten? Maar ook, hoe reduceer ik mijn kosten? Welke formule is er nodig om met mijn cultuurbedrijf een sluitend verdienmodel te realiseren. Een multifunctionele inzet van het maatschappelijke vastgoed biedt wat dit betreft perspectief. Maar dat vereist wel mentale creativiteit van het management en lef van bestuurders. Wat dat betreft zijn het Kultuurhus in Borne en De Kamers in Amersfoort daar mooie voorbeelden van.
Als goed marketeer werkte ik 'van buiten naar binnen' en ging op zoek naar kengetallen van de branche. Zo leerde dat in de periode 2000 - 2008 landelijk het aantal gesubsidieerde culturele instellingen verdubbelde. Tegelijkertijd nam de subsidie maar met 30% toe. Dan verdeel je met elkaar de armoede. Door de groei van staf en overhead nam de financiële waarde op het podium af. Dit resulteerde in een gemiddelde kostprijs per bezoek van € 81,-in een theater met een gemiddelde subsidie van € 55,-. Tel uit je winst of beter gezegd je verlies.
Nooit geweten, maar culturele instellingen in Nederland zijn jaarlijks € 700 mln. kwijt aan huisvestingskosten. Dat is meer dan bijvoorbeeld welzijn € 400 mln. of kinderopvang, € 500 mln. Sterker nog met € 260,- m2 per jaar huisvestingskosten kent de sector de duurste m2 van het maatschappelijke vastgoed. En dan heb ik nog geen eens naar de bezettingsgraad gekeken.
In de periode 2008 - 2011 verloren de podiumkunsten een kwart van hun klanten vanwege de recessie. Met aangekondigde bezuinigingen daar bovenop wordt verwacht dat 2/3 van het aanbod zal verdwijnen. Als oplossingsrichting wordt de sector ondernemerschap voor ogen gehouden. Los van het economische klimaat en politieke interventies (BTW!) kent de sector in Nederland geen tradities van eigen inkomsten. In Engeland bij voorbeeld komt 55% van de omzet uit eigen inkomsten. In Nederland ligt dit gemiddeld op 20% voor de podiumkunsten met 18% zelfs lager. In Vlaanderen doen ze dat met 38% zelfs nog beter.
Naast een sanering van de bedrijfstak zullen de beoogde overlevers in de sector hun knopen moeten tellen. Hoe genereer ik meer eigen inkomsten? Maar ook, hoe reduceer ik mijn kosten? Welke formule is er nodig om met mijn cultuurbedrijf een sluitend verdienmodel te realiseren. Een multifunctionele inzet van het maatschappelijke vastgoed biedt wat dit betreft perspectief. Maar dat vereist wel mentale creativiteit van het management en lef van bestuurders. Wat dat betreft zijn het Kultuurhus in Borne en De Kamers in Amersfoort daar mooie voorbeelden van.
Abonneren op:
Posts (Atom)